naar de Art-abstract thuispagina
  over Art-abstract
  het werk van de kunstenaars
  artikelen over de kunstenaars
  foto's van exposities
  verfijnd zoeken
   
  kopen en huren
  bedrijven
   
  citaten uit de
abstracte kunst
  artikelen over
abstracte kunst
  nieuws(brief) toesturen
  contact
         
 

Bogart, Bram (1921)

 

     Nederlands/Belgisch

     Internationaal

 
     
  Sinds 1950 ben ik een abstract schilder, en geeft de abstractie mij een vrijheid in het maken van een schilderij die ik daarvoor niet had.. .Ook het abstracte schilderij moet voor mij gebonden zijn aan regels, zoals de bouw ervan en de schriftuur. De materie waar men het altijd over heeft komt voor mij op de derde plaats.

Dirc Bouts, Van Gogh, Mondriaan, deze kunstenaars hebben een sterke bouw in hun schilderijen, dat wil zeggen dat men bij alle drie steeds de horizontale en verticale lijn terug vindt.

De schriftuur bestond bij de Japanners als een vanzelfsprekendheid en is een rol gaan spelen in de Amerikaanse en Europese schilderkunst rond de jaren 50, in nauw verband met de tachistische en informele manier van schilderen.

Een oudere schilder zei mij: niets is makkelijker om een evenwicht in een schilderij te verkrijgen als met de symmetrie. Weer anderen zeiden mij: symmetrie in de schilderkunst, dat gaat niet.

Het lege vlak, dat wil zeggen dat er gewerkt wordt in een enkele kleur, het zij wit, rood, zwart, enz. maar dat de huid van de verf (het aangezicht) toch vol leven blijft en de spanning van de toets niet verloren gaat.

Alles in de natuur kan teruggebracht worden (in zijn vereenvoudiging dan) tot het teken, de rechthoek, het vierkant, het kruis en de cirkel. Het zijn ook steeds weer deze vormen die een rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van mijn werk.

Het is het plaatsen van toetsen -in zwaardere vorm dan-, die nog steeds in mijn werk terugkomen, en doordat deze toetsen nu (1982) als het ware los van elkaar liggen, staat het mij toe verschillende kleuren als rood, geel ,wit, roze, enz. door elkaar te gebruiken. Men kan een vergelijk maken met het impressionisme of pointillisme.

Na 1970 maak ik eenzelfde periode mee als in 1952, namelijk dat ik vind teveel in een cerebrale, te voltooide manier van schilderen te belanden, en dat ik wel vlakken kleur, goed gebouwde cirkels en rechthoeken heb, maar dat het schilderende element verloren gaat.

Het uitlopen van de materie over de rand van het paneel heen ben ik als zeer belangrijk gaan zien, om juist de stijfheid van het vierkant te breken.